
Boeddha heeft de hindoegoden nooit verloochent en zei dat hij in eerdere levens Indra, de hemelgod van de hindoes, was geweest.Toen het ogenblik van de geboorte van Boeddha naderde, vonden er aardbevingen en vele wonderen plaats. Zijn moeder Maya, de koningin van een klein koninkrijk op de grens met Nepal, droomde dat Siddharta in de gedaante van een sneeuwwitte olifant haar baarmoeder binnenging.
Deze droom en de natuurlijke voortekenen werden door 64 brahmanen geïnterpreteerd. Zij voorspelden de geboorte van een zoon die of een machtig vorst zou worden of, indien hij zich het lijden van de mens bewust word, een verlosser. Zeven dagen na de geboorte van de prins stierf zijn moeder.
Omdat hij over de hoogste kennis beschikte en eerbied voelde voor zijn moeder, steeg Boeddha ten hemel. Hij bleef daar drie maanden om zijn moeder in te wijden in de heilige leer.Indachtig de voorspelling dat de jonge prins geen machtig vorst zou worden als hij het leed van de mensheid zag, deed de vader van Siddharta zijn uiterste best om hem van de buitenwereld af te schermen. Hij bouwde een luxueus paleis waar de jongeling blootstond aan allerlei verlokkingen en waar zelfs het gebruik van woorden als dood en smart was verboden.
Toen Siddharta te kennen gaf dat hij de wereld wilde zien, nam de koning hem mee naar een nabijgelegen stad. Van tevoren had hij de straten laten vegen en met bloemen versieren. Alles wat een onaangename indruk kon maken, was verwijderd. Desondanks zag Siddharta een invalide oude man en hoe het lichaam van een dode word weggebracht om te worden gecremeerd.
Het was een schok voor de jonge prins dat mensen ziek en oud worden om uiteindelijk te sterven.
Om de gedachten van zijn zoon af te leiden, arrangeerde de koning een huwelijk met een mooie prinses, die hem een zoon schonk. Uit de naam die Siddharta voor hun zoon koos Rahoela, -dat ‘boei’ betekent - bleek dat de inspanningen van zijn vader vergeefs waren en dat Siddharta zich een gevangene in het paleis voelde.
Toen Siddharta op een nacht niet kon slapen, zag hij dansmeisjes uitrusten na hun inspannende avondlijk werk.
Hun gezichtjes, die er pas nog zo expressief hadden uitgezien, hadden alle levendigheid verloren.
Siddharta besloot afstand van de troon te doen en de wereld in te trekken.
Hij knipte zijn haar af en veranderde zijn naam in Gautama.Gautama word een dolende asceet die de wereld wilde leren kennen. Zes jaar lang onderwierp hij zijn lichaam vruchteloos aan kastijdingen. Toen ging hij naar Bodh Gaya, waar een vijgenboom stond die de Boom der Wijsheid word genoemd. Hier besloot hij te mediteren, totdat hij gevonden had wat hij zocht.
Terwijl Gautama mediteerde, probeerde de demon MARA hem in verzoeking te brengen (in de christelijke mythologie deed SATAN hetzelfde bij de Heilige Antonius).
Mara zond zijn mooie dochters om Gautama te verleiden, hij trok er zich echter niets van aan.
Daarna zond hij monsterlijke duivels, die echter evenmin de concentratie van Gautama konden verstoren. In een laatste wanhopige poging slingerde Mara een gloeiende discus naar hem, die dwars door bergen kon snijden. De discus veranderde boven het hoofd van Gautama in een baldakijn van bloemen.
Vijf weken lang was Gautama in meditatie verzonken. Zelfs een vervelstorm deerde hem niet. De slangenkoning Moechalinda beschermde hem met zijn massieve schild. Na de vijfde week bereikte Gautama de verlichting hij begreep de bron van alle lijden en zag in dat hij alle begeerte achter zich moest laten om het lijden uit te sluiten. Zo werd hij Boeddha, bevrijd van al het leed en van de cyclus van reïncarnatie.
Nu stond Boeddha voor de keus. Hij kon het Nirvana binnengaan, de ongestoorde toestand van het hoogste bewustzijn, en de wereld verlaten of van zijn persoonlijke verlossing afzien om zijn medemensen de weg te wijzen. Mara drong op het eerste aan, Brahma op het tweede.
Boeddha gaf gehoor aan de stem van zijn schepper. Hij begon rond te trekken en zijn leer te verkondigen, stichtte een kloosterorde en legde de grondslag voor de boeddhistische periode van de lndiase cultuur. Na de dood van Boeddha werd de boeddhistische mythologie door de rivaliteit tussen zijn leerlingen verder ontwikkeld.
Ook andere incarnaties van Boeddha werden vereerd, zoals de bodhisattva (toekomstige Boeddha) Avalokitesvara. De Chinezen geloofden dat de bodhisattva Manjoesri de weg naar de verlichting wees. In India en het oosten van Azië werd verteld dat de bodhisattva Ksitigarbha de gekwelde zielen in de hel troostte. Sommige sekten geloven in de komst van de Boeddha Maitreya.
In Japan wordt deze verlosser Foegen-bosatsoe genoemd. Er bestaat ook een oorboeddha, die Amitabha wordt genoemd en in Japan bekend staat als Amidanyorai
Jeugd
Hij stamde uit het adellijk geslacht van de Sakya’s en noemde zichzelf later veelal Sakyamuni (Sjakjamoeni): de wijze uit het geslacht Sakya. Omdat Boeddha zelf geen geschriften heeft nagelaten, moet men voor zijn biografie een beroep doen op de Sanskriet-teksten van het Mahayana (vooral de Lalitavistara uit de 2de eeuw n.C.) en in mindere mate op de Pali-teksten van het Hinayana (zie boeddhisme). De historische feiten zijn echter zeer door legenden overwoekerd. Het leven van Gautama is het type van het boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het volgens boeddhistische opvattingen vrijwel gelijk. Gautama’s vader, Sjuddhodhana, was vorst van Kapilavastu in Magadha (Noordoost-Indië), zijn moeder, Maya, stierf volgens de overlevering zeven dagen na Siddhartha’s geboorte. Hij kwam ter wereld in het woud Lumbini.
Bij zijn geboorte droeg hij de 32 gunstige kentekenen (mahavyanjana) van een groot man. Op hetzelfde ogenblik werd ook zijn latere vrouw geboren. Van zijn jeugd is weinig bekend; slechts verdichtselen zijn overgeleverd. Zo zou hij op school zelfs zijn leermeesters in wijsheid overtroffen hebben. Hij huwde met Yasjodhara en had een zoon, die Rahula werd genoemd. Hij leidde tot zijn 29ste jaar een gelukkig leven aan het hof.
Inzicht onder de vijgenboom
Door het zien van een jammerlijke grijsaard, een ernstig zieke, een lijk en een bedelmonnik drongen de ellende, de waardeloosheid en de ijdelheid van het leven zich aan hem op en hij zocht zich vrij te maken van de ellende van het bestaan. Hij verliet ’s nachts vrouw en kind en zocht als rondzwervend en bedelend asceet de ware vrijheid bij beroemde asceten, maar kon ook hier niet de gemoedsrust en de bevrijding uit de samsara (de eeuwige kringloop van de wedergeboorten) terugvinden, totdat hij eens op een dag, zittend onder een asvattha-(vijgen-)boom bij de rivier Nairanjana, tot het ware inzicht kwam: alle wensen afgestorven, het slechte ontvlucht.
Ondanks de aanvallen van Mara, de personificatie van de dood, die de wereld en de samsara representeert, bereikte hij zulk een trap van meditatie, dat alles hem licht werd en hij de dwaling als oorzaak van alle leed en lijden vond. Sedertdien was hij de boeddha, de verlichte.
Verkondiging
Na een tijd van strijd en aarzeling of hij zijn nieuw inzicht voor zich zou behouden, dan wel of hij het zijn verblinde medeschepselen zou meedelen, trok hij, 36 jaar oud, de wereld in om het verlossend inzicht te verbreiden. Te Benares, in het dierenpark Rsipatana (Pali: Isipatana), hield hij zijn eerste prediking en zette het Wiel der norm (Dharmacakra) in beweging. Ondanks bestrijding en tegenwerking kreeg hij al spoedig vele aanhangers. Onder hen waren de brahmanen Sjariputra, Maudgalyayana, zijn neef Ananda; lekenaanhangers en begunstigers waren o.a. de rijke koopman Anathapindika en de vorst Bimbisara van Magadha.
Jaar in jaar uit trok Gautama door het land om zijn leer te verbreiden, zich enkel in de regentijd met enkele leerlingen afzonderend. Hij stierf aan de oever van een rivier in de nabijheid van Kusjinagara (Kusinara). Door de zorgen van zijn geliefde leerling Ananda en enkele andere discipelen werd zijn lijk verbrand. Zijn overblijfselen werden als relikwieën vereerd, in acht delen verdeeld en bewaard in stupa’s.
Nadat men vele jaren in onzekerheid over Boeddha’s bestaan heeft geleefd en men zelfs een tijdlang aan zijn bestaan heeft getwijfeld, kan het bovenstaande met vrij grote zekerheid in hoofdzaken als historisch vaststaand worden aangenomen.
