
Mohammed (Arabisch:محمد, Moehammad) (Mekka, 569/570/571 - Medina, 8 juni 632) wordt door moslims beschouwd als profeet en grondlegger van de islam. In deze religie wordt hij als de laatste profeet en boodschapper gezien die de uiteindelijke openbaring van God zelf zou hebben ontvangen. Door moslims wordt hij daarom aangeduid als het Zegel der Profeten.
Veel moslims zijn gewend, na het horen van de naam Mohammed sallallahu alaihi wa sallam (”zegeningen en vrede met hem” of “vrede zij met hem”) uit te spreken, in geschreven tekst vaak afgekort als ’s(a)ws’ of ‘(z)v(z)mh’.
Levensloop (lees de volledige tekst)
Er zijn naast de Koran geen bronnen uit de tijd van Mohammed waarop een biografie gebaseerd kan worden. Het oudst bekende geschrift is de Sira van Ibn Ishaq (plusminus 750), latere biografieën zijn (deels) daarop gebaseerd.
Verschillende gedichten uit de klassieke Arabische literatuur ondersteunen de traditionele visie, dat de afstamming van Mohammed van de stam van Haashim, een verarmde substam van de Qoeraisj is. De stam Qoeraisj komt voort uit het volk van Adnaan die een afstammeling van Haidir (Hadar) is. Hadar is de achtste zoon van profeet Ismaël (Genesis 25:13-15). Mekkaanse tegenstanders van Mohammed bekritiseerden hem met het argument, dat ze hem en zijn boodschap geloofd zouden hebben als hij een van de vooraanstaande mannen van de twee steden (Mekka en at-Thakif) zou zijn geweest.
Over zijn vader Abdallah (”dienaar van God”), die vlak voor de geboorte van Mohammed gestorven zou zijn, is weinig bekend. De naam Abd Allah is mogelijk niet zijn originele naam geweest. Zijn grootvader van vaders zijde wordt Abd al-Moettalib genoemd. Over hem is eveneens weinig bekend. Zijn moeder Aminah bint Wahab was afkomstig uit Medina en overleed toen hij zes jaar was. Tot zijn achtste was hij bij zijn grootvader in huis maar toen die stierf werd zijn opvoeding voortgezet door zijn oom, Aboe Talib. Uit historische bronnen zijn Mohammeds ooms Aboe Talib, Hamza en Abd al-Oezza bekend. Uit de Islamitische traditie is ook bekend dat Mohammed in zijn jonge jaren als schaapherder heeft gewerkt voordat hij een koopman werd.
Polytheïsme en geestenverering kenmerkten de Arabische wereld toen Mohammed opgroeide, hoewel er ook Joodse stammen (met name in Medina) waren en groepen bedoeïenen die een vorm van monotheïsme kenden. Mekka was in die tijd een handelsstad waar enkele karavaanroutes samenkwamen. Handelaars en andere reizigers namen hun religies en (af)godsbeelden mee en velen daarvan werden in Mekka neergezet, vooral rond de Ka’aba. De Ka’aba was in de tijd van Mohammed een universeel religieus heiligdom waar 360 goden werden aanbeden. De stam Qoeraisj had vanouds het beheer over de Ka’aba. Mohammed groeide op in de stad en ontmoette daar voldoende rondreizende bedoeïenen en kooplieden uit allerlei windstreken om iets meer te weten te komen over deze religies. Ook nam zijn oom hem tenminste één keer mee naar Syrië. Eén van de bijnamen die zijn stadgenoten hem volgens de overlevering gaven was al-Amin, de betrouwbare.
Toen Mohammed 25 jaar oud was trouwde hij met de vijftien jaar oudere weduwe Chadidja, die handelskaravanen bezat. Zij had hem kort daarvoor in dienst genomen als leider van een van haar karavanen. Reizend als Chadidja’s handelsvertegenwoordiger kwam Mohammed in contact met joden en christenen. Hij kwam daarbij in aanraking met hun godsdienst.
Profeetschap in Mekka
Perzische afbeelding waarop de engel Gabriël Mohammed toespreektVolgens de tradities zou Mohammed zich in de maand ramadan in het jaar 610 teruggetrokken hebben in een grot van de berg Hira toen hem de engel Gabriël verscheen en hem aanwees als profeet van God (Jesaja 29-12). Hij zou toen 40 jaar oud geweest zijn. De eerste vijf regels van Soera De Bloedklomp vormen volgens een meerderheid van de Koranexegeten het begin van de openbaringen die Mohammed gedurende de volgende 22 of 23 jaar via Gabriël van God zou hebben ontvangen. Deze openbaringen werden later samengevoegd in de Koran.
Na ongeveer twee jaar begon Mohammed in Mekka als profeet op te treden en riep hij zijn plaatsgenoten op geen afgoden meer te aanbidden. Zijn boodschap van monotheïsme, politieke eenheid en sociale bewogenheid stuitte op verzet van de heersende klasse die zijn rijkdom en aanzien mede aan de veelgodencultus rond het heiligdom in Mekka te danken had.
In sommige authentieke Ahadith worden wonderen overgeleverd die Mohammed heeft verricht. Zo liet hij op verzoek voor een wonder van de heidense Mekkanen de maan splijten (sahieh Boechari, Volume 4, Boek 56, Nummer 831) en liet hij water uit zijn vingers stromen (sahieh Boechari 3576/sahieh Muslim 1856) waarmee hij aan het gebrek aan water bij zijn metgezellen (sahaba) een einde maakte terwijl ze met vijftienhonderd man waren.
Eerste volgelingen
Een 15e-eeuwse illustratie van een predikende Mohammed, door Al-Biruni.Tot Mohammeds eerste volgelingen behoorden zijn vrouw Chadidja, zijn vriend en koopman Aboe Bakr, zijn minderjarige neef Ali, zijn geadopteerde zoon Zayd en de rijke koopman Oethman ibn Affan. Vanwege zijn sociale boodschap trok hij in het begin met name armere Mekkanen en slaven aan. In de dertien jaar dat Mohammed in Mekka predikte verzamelden zich ongeveer 70 families om hem heen.[1]
Machtsstrijd in Mekka
De heersende klasse voelde zich door het optreden van Mohammed dermate bedreigd dat ze hem het leiderschap over Mekka aanboden op voorwaarde dat hij met zijn predikingen ophield. Toen Mohammed dat weigerde, riep een aantal leidende figuren op tot een boycot van de clan van Mohammed, die twee jaar duurde. Zij raakten gedurende die tijd economisch en sociaal volledig geïsoleerd. In die tijd overleed Chadidja en niet lang na het opheffen van de boycot ook zijn oom en beschermer Aboe Talib, wat zijn tegenstanders in de gelegenheid stelde om openlijk te speculeren over mogelijkheden om Mohammed uit de weg te ruimen.
Vertrek naar Yathrib
In 620 en 621 ontving Mohammed delegaties uit Yathrib (later Medina genoemd), waarvan de leden tot de islam overgingen en die de moslims uit Mekka hulp en bescherming aanboden. Dit stelde de moslims in de gelegenheid om successievelijk naar Yathrib uit te wijken. Op het moment dat zijn vijanden hadden besloten om Mohammed gezamenlijk te vermoorden, vertrok hij in 622 naar Yathrib. Samen met Aboe Bakr wist Mohammed aan zijn belagers te ontkomen en vertrok hij ’s nachts in zuidelijke richting, om zijn achtervolgers op een dwaalspoor te zetten. In een grot voorkwamen een spin en een rotsduif de ontdekking van deze schuilplaats door een web en een nest aan de ingang van de grot te maken. Zijn achtervolgers kregen zo de indruk dat de grot reeds lang niet meer betreden was.
Deze migratie staat bekend als de hidjra en is later als begin van de islamitische jaartelling gaan gelden.
Medina
afbeelding van Mohammed in Medina uit een Arabisch middeleeuws manuscript.Mohammed vestigde zich in Yathrib. Zijn dromedaris werd bij aankomst losgelaten en wees zo de plaats aan van Mohammeds huis. De plaatsnaam werd omgedoopt in Medinat-un-Nabawi (’stad van de profeet’), later afgekort tot Medina. In Medina zou Mohammed naast zijn religieuze functie op een later tijdstip ook een politiek-militair profiel aannemen als opperbevelhebber van het moslimleger.
Verdrag van Medina
Volgens de tradities sloot Mohammed een verdrag met de Arabische en Joodse stammen dat bepaalde dat ieder zijn eigen religie vrij kon belijden, vijandigheden tussen moslims verbood en voorschreef dat geschilpunten ter beoordeling aan Mohammed werden voorgelegd. Tevens zouden de partijen elkaar steun verlenen in het geval een van hen door een vijand zou worden aangevallen.
Het Verdrag maakte weliswaar een einde aan de onderlinge vijandigheden tussen partijen in Yathrib, maar met de komst van Mohammed en zijn getrouwen ontstond een nieuw conflict, namelijk tussen moslims en niet-moslims. Het is onzeker of het overgeleverde verdrag hetzelfde is als het verdrag dat de strijdende partijen in Yathrib ondertekenden.
Slag bij Badr en Oehoed
Om in de landbouwenclave aan inkomsten te komen waren de moslims aangewezen op de steun van de inwoners van Medina, die mede daarom ‘helpers’ (ansaar) werden genoemd. Verschillende stammen overvielen karavanen van andere stammen en ook de moslims overvielen zo Mekkaanse karavanen. Deze rooftochten door verschillende stammen leverden vaak onderlinge confrontaties tussen stammen op.
Mekka stuurde in 624 een leger om een belangrijke karavaan te beschermen die door een leger van Mohammed werd bedreigd. Bij Badr, een oase op de karavaanroute tussen Mekka en Medina, kwam het tot een treffen. De karavaan werd gered, maar het leger van de Mekkanen werd door het aanzienlijk kleinere leger van de moslims onder leiding van Mohammed verslagen. Volgens de overlevering was dat te danken aan de tussenkomst van engelen, die een regen van stenen op de Mekkanen hadden doen neerdalen.
In 626 versloeg een leger van circa 3000 Mekkanen het duizendkoppige leger van moslims bij Oehoed. De moslims moesten zich in Medina terugtrekken.
In 627 stuurde Mekka een leger van 10.000 soldaten naar Medina om de moslimgemeenschap definitief te vernietigen. De moslims hadden echter een gracht gegraven, een techniek die nieuw was voor de Arabieren die gewend waren om man tegen man te vechten. Na twee weken beleg moest het leger zich terugtrekken, niet in staat de vesting van Medina binnen te komen. Deze gebeurtenis staat bekend als de loopgravenoorlog of ‘Slag van de gracht’. Essentieel zijn de onderhandelingen van de Qoeraisj met de joden van Banoe Koraiza om via het zuiden van de oase van Medina waar deze joden woonden, de stad binnen te trekken[2].
Meteen hierna keerde Mohammed zich tegen de joodse stam Banoe Koraiza, omdat zij de aanval gedeeltelijk betaald zouden hebben en zelfs op de been hebben gebracht. Na een beleg van 25 dagen gaf de stam zich over. Mohammed liet de joden hun eigen rechter aanwijzen, die vervolgens de joodse wetten toepaste; op basis van Deuteronomium 20:10-17 veroordeelde de aangewezen rechter de mannen van de stam collectief tot de dood en de vrouwen en kinderen tot slavernij. Soera De Partijscharen zegt hierover dat de Mensen van het Boek die de tegenstanders van de moslims helpen schrik zijn aangejaagd. [3] Hoewel deze daad als antisemitisch opgevat kan worden, kan dit weerlegd worden door het feit dat na 627 kleine groepen joden in Medina bleven leven zonder verdere represailles[4].
Al voor de Slag van de Gracht wilde Mohammed het bloedgeld verhogen, maar volgens de overlevering zou tijdens de onderhandelingen met de joden aan Mohammed zijn geopenbaard dat de joden hem wilden vermoorden. De joodse vesting werd twee weken belegerd, waarna de palmbomen werden gehakt, iets wat de joden zo’n angst inboezemde, dat zij vroegen te mogen vertrekken. Met alles wat zij mee konden nemen, vertrokken zij naar Khaybar.[5]
Na het Verdrag van Hoedaibijja echter, waarbij een wapenstilstand tussen de moslims met de Qoeraisj werd gesloten, besloot Mohammed zijn aandacht te richten op het gevaar in het noorden, Khaybar. Met 600 man werd gepoogd in de Slag bij Khaybar de plaats in te nemen die als onneembaar gold. Met het kleine leger leek Mohammed gedoemd te zijn deze Slag te verliezen, maar de onderlinge verdeeldheid in het stammensysteem aan de joodse zijde leek Mohammed in de hand te werken. Ondanks dat de overleveringen spreken van een snelle overwinning, moet de strijd een maand in beslag hebben genomen. Nadat de joden een vredesvoorstel deden aan Mohammed werd deze geaccepteerd met Koranistisch voorschrift. Het was precies het soort overeenkomst dat de Arabieren in de sedentaire gebieden regelmatig sloten met de bedoeïen; in ruil voor de helft van de dadeloogst zou Mohammed voor militaire bescherming zorgen. Het nabijgelegen Fadak hoorde van deze overeenkomst en anticipeerde op een mogelijke aanval. Ook de Fadakse joden besloten zich over te geven onder dezelfde voorwaarde. Om dit alles te bezegelen trouwde Mohammed de dochter van zijn voormalige vijand.[6]
Omringende Arabische stammen begonnen nu de kracht van Mohammed te erkennen en waren bereid om verdragen met hem te sluiten.
Mohammed reist op een ezel terug naar Mekka met op de achtergrond de vier aartsengelen
Terugkeer naar Mekka
In 628 trok Mohammed met 1500 ongewapende volgelingen in ihram (pelgrimskledij) en voorzien van een groot aantal offerdieren naar Mekka met het doel de hadj te verrichten, maar de toegang tot de stad werd hem ontzegd. De Qoeraisj en de moslims kwamen wel een tienjarig bestand overeen, het Verdrag van al-Hoedaibiyyah, dat de moslims in staat stelde om het jaar daarop de kleine bedevaart, de oemra, te verrichten. Voor de zekerheid trokken de Mekkanen zich terug op de omringende heuvels. Na vijf dagen verblijf in Mekka keerden de moslims weer terug naar Medina.
In januari 630 schonden de Mekkanen het verdrag van al-Hoedaibiyya ,doordat enkele Qoeraisjieten de clan Bakr hielp bij het doden van een aantal leden van de met Mohammed verbonden clan Choezaa’a. Daarop overvielen de moslims met een leger van 10.000 soldaten Mekka. Mohammed kondigde algehele amnestie voor de Qoeraisj af, op voorwaarde dat zij zich niet tegen Mohammeds heerschappij zouden verzetten. Na de terugkeer in Mekka werd de Ka’aba door Mohammed gezuiverd van de in totaal 360 afgoden in en rondom de Ka’aba. Elf Qoeraisjieten werden uiteindelijk ter dood gebracht.
In zijn laatste levensjaren zou Mohammed een aantal brieven naar naburige heersers hebben gestuurd, met daarin een uitnodiging de islam te accepteren. Hij zou brieven hebben geschreven aan de volgende wereldleiders:
De Romeinse keizer Heraclius. Hoogstwaarschijnlijk heeft de brief de keizer niet eens bereikt. Ook zou Abu Sufyan ibn Harb, toen nog geen moslim maar een mede-ondertekenaar van het Verdrag van al-Hoedaibiyyah, een onderhoud met Heraclius hebben gehad. Heraclius zou onder de indruk zijn geweest maar om politieke redenen niet tot de islam hebben willen bekeren.
De negus van Abessinië, die reeds eerder een deel van de moslims onderdak had gegeven toen zij in Mekka werden vervolgd. De negus zou een positief antwoord hebben teruggestuurd waarin hij zou verklaren de islam te willen accepteren. Vrij snel daarom overleed de negus echter.
Muqawqis, door sommige bronnen patriarch Cyrus van Alexandrië, die namens de Romeinen Egypte bestuurde. Howel moslims de brief aan Muqawqis als authentiek zien, wordt deze authenticiteit door sommigen betwist. Muqawqis zou Mohammed twee concubines hebben teruggestuurd, maar zijn antwoord was ontwijkend en hij bekeerde zich niet.
Sjah Khusro II van Iran. Deze zou de brief direct hebben verscheurd en nam overigens niet de moeite te reageren. Wellicht was de reden voor deze reactie dat Mohammed zijn naam voor die van Khusro had geschreven, wat Khusro als een belediging ervoer.
Munzir ibn Sawa Al Tamimi, die voor de Iraniërs in Bahrein als gouverneur optrad. Hijzelf en een groot deel van zijn onderdanen bekeerde zich.
Hauda bin Ali, de heerser van Al-Yamama, een woestijngebied in westelijk centraal-Arabië. Deze wilde zich alleen bekeren indien hij een hoge post zou krijgen binnen de oemma, wat Mohammed weigerde.
Harith ibn Abi Shamir al-Ghassani, Ghassanidische gouverneur van Damascus, toentertijd deel van het Oost-Romeinse Rijk. Hij zou de brief als beledigend hebben ervaren.
Jaifer en `Abd al-Jalani, twee broers die de Azd stam in het huidige Oman bestuurden, ontvingen de brief en bekeerden zich tot de islam.
In maart 632 volbracht Mohammed zijn enige hadj. Tijdens de reis hield hij een preek waarin hij een aantal richtlijnen op religieus en sociaal gebied nogmaals uiteenzette en afscheid nam van zijn volgelingen.
Na een kort ziekbed overleed Mohammed rond de middag op maandag 8 juni 632 in Medina. Hij was toen 62 of 63 jaar oud. Zijn vriend en schoonvader Aboe Bakr volgde hem op als leider (kalief) van de moslims. Mohammed werd begraven in de kamer waar hij stierf en die later tot de Moskee van de profeet werd omgebouwd. Dit omdat islamitisch gezien de lichamen van profeten niet verplaatst mogen worden.
Mohammeds vrouwen (stamboom van Mohammed)
In de Hadith van Bukhari (1:282) staat dat Mohammed op enig moment negen vrouwen heeft gehad. Als profeet had hij deze bevoegdheid in een openbaring van God gekregen; voor de andere moslims gold en geldt de beperking zoals geopenbaard in Soera De Vrouwen, waar in aya 3 een beperking van vier vrouwen wordt opgelegd die allen gelijkwaardig behandeld behoren te worden.
Achter elke naam van een vrouw staat de huwelijksdatum (voor zover bekend), of ze maagd, weduwe of gescheiden was, of er een politieke reden voor het huwelijk was en of ze Mohammed overleefde.
Khadijah bint Khuwaylid trouwde in 595 na Chr.; weduwe; stierf in 619
Sawada bint Zama trouwde snel na 619; weduwe; stierf na Mohammed
Aïsja trouwde op zesjarige leeftijd circa 622; huwelijk werd pas op latere leeftijd geconsumeerd ; stierf na Mohammed circa 678
Hafsa bint Umar trouwde tussen circa 624-625; weduwe, politiek huwelijk; stierf na Mohammed
Zaynab bint Khuzayma trouwde circa tussen 626-627; weduwe; stierf kort daarna
Umm Salama Hind bint Abi Umayya trouwde in 626; weduwe; stierf na Mohammed
Zaynab bint Jahsh trouwde circa tussen 625-627; weduwe en gescheiden; stierf na Mohammed
Juwayriya bint al-Harith trouwde circa tussen 627-628; weduwe, waarschijnlijk politiek huwelijk; stierf na Mohammed
Umm Habibah trouwde in 629; weduwe, politiek huwelijk; stierf na Mohammed
Safiyya bint Huyayy trouwde in 629; weduwe, gevangen genomen tijdens een veldslag; stierf na Mohammed
Maymuna bint al-Harith trouwde in 629; weduwe; stierf na Mohammed
Maria al-Qibtiyya; Egyptische (naam verwijst naar “Maria de Koptische”); ze was als slavin gegeven aan Mohammed door de heerser van Egypte. Velen beweerden dat ze slavin bleef; anderen beweerden dat ze toch deels vrijheid verkreeg; getrouwd circa tussen 628-629; ze was de moeder van Mohammeds enige zoon Ibrahim, die maar kort geleefd had en stierf in 630; stierf na Mohammed
Boodschap
Mohammed ontvangt in een openbaring een gedeelte van de Koran tijdens een slagDiverse Koranverzen benadrukken dat Mohammed geen stichter van een nieuwe religie was. Zijn taak bestond alleen uit het oproepen van de Arabieren om terug te keren tot de oorspronkelijke religie, die in de Koran wel de religie van Ibrahim wordt genoemd, en om te waarschuwen voor de Dag des oordeels. De Koran leert dat God zich al eerder tot andere volken had gericht, maar zich nu voor het eerst rechtstreeks tot de Arabieren richtte.
