Niets in het leven is onderhevig aan toeval. Alles is een aaneenschakeling van perfect georkestreerde gebeurtenissen. Het leven is wonderlijk en het mooiste Godgegeven geschenk aan de mens. Het zit ‘m in de kleine dingen, die juist als je er voor openstaat, alles zeggen wat je dient te weten in dit leven. Kleine speldenprikjes als mini lichtbakens langs je levenspad. Heb de mensen lief, de mensen in je omgeving die komen en soms ook weer gaan. Bewandel het pad dat je voor je zelf uitgestippeld hebt, en vergeet één ding niet … je wandelt nooit alleen.

 

Hoofdstuk 1

Ik Die Ben
 

Kirkenes, Noorwegen, 1950
 

We woonden daar in een prachtig heuvelachtig landschap.
Bij het opstaan `s morgens voelde het alsof je een deel van de aarde was. Er bestond voor ons geen enkele twijfel over het feit, dat wij het privilege genoten, op het mooiste stukje van de wereld te mogen wonen. Als kind van vijftien wist ik, dat de kleurenpracht in de lucht, allerlei schakeringen paars en roze, iets zo speciaals was, dat het Heelal het toch wel heel erg goed met ons voor moest hebben, dat wij daar mochten wonen.
Hoe goed het Heelal het met mij voor had, zou al heel snel blijken …
 

“Doe je jas nou aan, straks missen we de trein nog.” We gingen met zijn allen bij mijn tante logeren in Murmansk. Ze was jarig geweest en het was al een behoorlijke tijd geleden, dat we elkaar in de armen hadden kunnen sluiten. Het leek mijn moeder een prima idee, om deze gelegenheid aan te grijpen, en af te reizen naar haar geboorteplaats.
Het kostte in die tijd nog al wat, om die lange reis te kunnen betalen en met twee kinderen op pad te gaan. Mama had echter alle extraatjes gelaten voor wat ze waren, om zo te sparen en  met ons naar haar zus te kunnen gaan.
 

Het was voor mij een erg spannende onderneming. De tijd dat ik mijn tante al niet gezien had, kon ik niet plaatsen in enig perspectief. Mama zei wel dat ik een jaar of elf was toen, maar dat zei mij erg weinig. Voor mij was het al zo lang geleden. Het enige wat ik me van mijn tante kon herinneren was, dat ze altijd zo blij was om ons te zien. Dat ging dan gepaard met ettelijke knuffels, die je de adem benamen. Hoe ze er uit zou moeten zien, kon ik alleen nog maar afleiden van de fotootjes op de kast in de eetkamer.
 

Mama had maar één zusje. Ze had ook een broertje gehad ooit, die was dood gegaan voor dat ie nog maar kon lopen. Als ik mijn kleine zusje zou moeten missen. Haar nooit meer zou kunnen vasthouden en met haar wandelen langs het water van onze geliefde fjord. Daar zou mijn hart van breken! Als ik dat wel eens tegen haar zei, dan vertelde ze me dat ik geen medelijden met haar hoefde te hebben, want zij was zelf nog zo klein toen haar broertje dood ging. Het was allemaal al zo lang geleden gebeurd. Dat ging mijn jonge meisjes begrip te boven, maar als mama dat zei dan was dat gewoon zo.
 

Zo kwamen we, tegen de tijd dat het al weer donker begon te worden, op het station aan. Tante stond ons op te wachten. Op het moment dat we uitstapten, kwam het vrouwtje van de foto op ons af. Met tranen in haar ogen knuffelde ze ons, als was het of ze ons in geen honderd jaar meer gezien had. Het was ontzettend koud in die tijd van het jaar. Voor ik nog maar bij kon komen van de indrukken, die ik op had gedaan tijdens de reis, zaten we al in de auto. Op weg naar ons logeeradres, voor een week.

interesse? ga dan naar Free Musketeers