Lord Ling

Mozes werd geboren onder moeilijke omstandigheden: zijn volk leefde onder Egyptische onderdrukking en er was zelfs een geboortepolitiek ingevoerd die erop neer kwam dat alleen meisjes mochten blijven leven. Daarom werd Mozes als baby te vondeling gelegd tussen het riet van (een zijarm van) de Nijl, werd gevonden door een dochter van de farao, die daar net een bad ging nemen, en de baby prompt adopteerde.
Mozes groeit dus op aan het hof en komt pas op zijn veertigste jaar tot het besef dat hij eigenlijk bij een ander volk hoort, namelijk dat van Israël. Hij gaat dan, misschien voor het eerst, eens een kijkje nemen in de provincie waar zijn volk leeft. Hij ziet de onderdrukking door de Egyptische slavendrijvers en maakt zich zo kwaad dat hij een van die slavendrijvers neerslaat en ter plaatse eigenhandig begraaft.
De farao komt erachter wat Mozes heeft gedaan, en die is vanaf dat moment zijn leven niet meer zeker. Hij vlucht het land uit en komt in Midian. Hij wordt daar herder, trouwt met de dochter van Jethro, die als een priester van God wordt aangeduid, en blijft daar veertig jaar.
Dan heeft Mozes een bijzondere ervaring: bij een brandende struik roept God hem, en Mozes krijgt daar de opdracht zijn volk uit Egypte te halen en naar het land Kanaan te brengen. Mozes ziet dat niet zo zitten, maar hij heeft geen keus. Bovendien komt zijn broer Aaron hem opzoeken, die wordt aangewezen om Mozes’ woordvoerder te zijn.
Enige tijd later verschijnen de broers samen aan het hof van de heerser van Egypte, met het verzoek of die maar zo vriendelijk wil zijn het volk Israël een paar dagen vrijaf te geven om in de woestijn offers aan hun God te brengen. De farao gaat niet akkoord, waarna het land door een ramp wordt getroffen. Dit is de eerste van in totaal tien plagen die de farao uiteindelijk op de knieen brengen.
Het volk Israël verlaat het land Gosen, waar het 215 jaar had gewoond, trekt de woestijn in en komt dan bij een waterpartij die Schelfzee of Rietzee wordt genoemd. Het water is te diep om te doorwaden, en tot overmaat van ramp is de farao inmiddels met een legermacht ten strijde getrokken. Mozes slaat dan op Gods instructie met zijn stok op het water, waarna een harde wind opsteekt die het water verdrijft. Het volk trekt over de zeebodem naar de overkant, maar als het leger van Farao hetzelfde doet gaat de wind liggen. Het water stroomt terug en de farao komt daarbij om het leven.
Mozes wordt de organisatorische en geestelijke leider van Israël, en blijft dat gedurende de veertig jaar waarin het volk door de Sinai-woestijn trekt.
Bij de berg Horeb verschijnen de Tien Geboden op stenen tabletten; hier worden ook de Tabernakel met de Ark van het Verbond vervaardigd waarna de offerdienst begon, later voortgezet in de Tempel.
Een belangrijk deel van de veertig jaar tussen de uittocht en de intocht werd doorgebracht in de steppe van Kades-Barnea. Toen het zwervende volk ten slotte Kanaän in bezit nam, was de leiding overgenomen door Mozes’ dienaar Jozua.
De intocht in het land Kanaan maakt Mozes niet meer mee - hij krijgt het land slechts te zien, vanaf de berg Nebo. Volgens Deut. 34:1-12 stierf Mozes hier op een leeftijd van 120 jaar. De traditie beschouwt hem als de auteur van de Thora (Pentateuch), zodat de gehele wetgeving van Israël door zijn autoriteit werd geschraagd.
