Lord Yogananda

Meer nog dan de voorspellingen bij zijn geboorte over de rol van religieus leraar die hem te wachten stond, en meer nog dan de vele verhalen over hoe bijzonder de jonge Mukunda wel niet was, geven Yogananda’s eigen woorden over zijn babytijd een indicatie van het soort bewustzijn dat in zijn persoon expressie vond: “M’n eerste herinneringen betreffen de anachronistische beelden van een eerdere incarnatie. (…) Het besef niet te kunnen lopen of mijzelf vrijelijk te uiten, vervulde me met weerzin. (…) Mijn heftige emotionele leven nam de geluidloze vorm aan van woorden in vele talen. Temidden van deze innerlijke spraakverwarring raakten mijn oren geleidelijk aan gewend aan de Bengaalse klanken van de mensen om mij heen.”
De weg van gefrustreerde baby tot welbespraakt spiritueel leraar legde Mukunda in India af, onder leiding van zijn guru Sri Yukteswar. In 1920 arriveerde hij, inmiddels Swami Yogananda geheten, in Amerika, alleen en met een “onmogelijke opdracht” op zak. Toen Paramahansa (”verheven zwaan”; India’s hoogste spirituele titel) Yogananda in 1952 in Los Angeles overleed, liet hij een wereldwijde organisatie na, tempels en centra, vele gedichten en liederen, meditatietechnieken en, wellicht bovenal, zijn “Autobiografie van een yogi”.
De vraag wie of wat Yogananda precies was, is onmogelijk te beantwoorden, zeker voor schrijver dezes, wiens eerste herinneringen niet poëtischer zijn dan “staan in de box”. Wel mogelijk is te onderzoeken wat de betekenis van zijn persoon en leer is geweest en is voor onze huidige tijd.
De eigenschappen die hem wellicht het meest bemind maakten bij zijn tijdgenoten waren Yogananda’s eenvoud en humor. Met name dat laatste moet in de tijd en het land waarin religie als een Zeer Ernstige Aangelegenheid werd beschouwd, een verademing geweest zijn. Een voorval waarin Yogananda’s kracht, eenvoud en humor naar voren komen, staat beschreven in “The path”, Kriyananda’s autobiografie. Yogananda, die niet groot, maar stevig gebouwd en oersterk was, vertelt:
“Op een avond bezocht ik een park in Chicago. Het was tijdens de recessie, en Chicago was, zoals jullie weten, berucht om zijn gangsters. Een agent hield me tegen en waarschuwde me dat het niet veilig was in het donker. “Zelfs wij zijn bang om er heen te gaan”, zei hij.
Welnu, ik liep toch het park in en maakte het me gemakkelijk op een bankje. Na een tijdje hield een ruig uitziende man, veel groter dan ik, voor mij stil.
“Geef me een dubbeltje”, snauwde hij.
Ik haalde een dubbeltje uit m’n zak en gaf het hem.
“Geef me een kwartje”. Ik gaf hem een kwartje.
“Geef me vijftig cent.” Ik gaf hem vijftig cent.
“Geef me een dollar.”
Tegen deze tijd zag ik in dat de zaak niet uit het slop zou komen. In het bewustzijn van God’s kracht sprong ik op en schreeuwde: “HOEPEL OP!!!”
De man begon te trillen als een rietje.
“Ik hoef je geld niet”, stamelde hij, en ging er als een haas vandoor. Ik ging weer rustig zitten en genoot van de opkomende maan. Later, toen ik het park verliet, zag dezelfde agent me en vroeg “Wat heeft u tegen die man gezegd? Ik durfde niet tussenbeide te komen; hij is een gevaarlijk figuur.”
“O” antwoordde ik, “we hebben het op een akkoordje gegooid.”
Respect
Yogananda’s onmiskenbare oprechtheid, intelligentie en liefde, plaatsen menig lezer van de Autobiografie voor een probleem: Voor waar houden wat hij schrijft, zou vergaande consequenties voor het eigen leven kunnen hebben. De mening echter dat e.e.a. op fantasie berust of sterk overdreven wordt weergegeven, zou betekenen dat de schrijver een goedgelovige sufferd dan wel een sluwe bedrieger was.
Het dilemma is niet nieuw en speelt niet alleen in het geval van Yogananda. Wel zal het dilemma, of positiever gesteld, de uitdaging zelden zo groot zijn geweest. Hier was iemand die met wetenschappers en politici discussieerde, een practische instelling had, en wars was van dogmatisme, fanatisme of zweverigheid, iemand die stelde dat religie de mens op zowel mentaal en fysiek als spiritueel nivo van nut diende te zijn. En deze zelfde man schreef doodserieus over allerlei zwevende, nooit etende, twee lichamen gebruikende, niet ademende, na hun dood verschijnende, materie manipulerende, eeuwig jong blijvende (enz. enz.) mensen.
Het is geen wonder dat velen van enige scepsis vervuld waren bij hun eerste ontmoeting met Yogananda, of na het lezen van enige hoofdstukken van de Autobiografie. Het feit dat die scepsis steevast veranderde in respect, zegt misschien evenveel over Yogananda als de wonder- verhalen die zijn discipelen over hem te boek stelden.
Dat respect is er sinds zijn dood niet minder op geworden. In deze eeuw, waarin helaas controverses, discussies en roddels rond spirituele leraren meer uitzondering dan regel lijken te zijn, is Yogananda’s persoon onomstreden. India eerde hem als “ambassadeur van haar spirituele traditie” met het uitbrengen van een postzegel met zijn afbeelding. Het Amerikaanse “Yoga Today” stelde onlangs dat “naarmate de tijd verstrijkt, zijn ster steeds helderder is gaan stralen”.
“Oost is Oost, en West is West, en nooit zullen de twee samenkomen”, schreef Kipling. Als geen ander in zijn tijd werkte Yogananda aan het logenstraffen van die stelling, en het tot stand bregen van een fusie op een hoger plan van de twee culturen. Het respect dat hij in beide werelden geniet, bewijst op z’n minst de mogelijkheid van zo’n “best of both worlds” cultuur.
